Bijgewerkt op 30 september 2026 door de redactie van Proposal Expert
Van materiaal en arbeid via indirecte kosten en winstopslag naar de verkoopprijs voor je offerte
Je kostprijs bereken je door je directe kosten (materiaal en arbeid) op te tellen en daar een opslag voor je indirecte kosten bij te doen. Tel je daar je winstopslag bij op, dan heb je de verkoopprijs. Deze calculator doet die kostprijsberekening in één keer. Vul je materiaalkosten en arbeidskosten in, het opslagpercentage voor indirecte kosten en de winstopslag die je wilt. Je ziet dan de directe kosten, de indirecte kosten, de integrale kostprijs, de winst en de verkoopprijs exclusief btw.
Directe kosten = materiaal + arbeid. Indirecte kosten = directe kosten × opslag ÷ 100. Kostprijs = directe kosten + indirecte kosten. Winst = kostprijs × winstopslag ÷ 100. Verkoopprijs = kostprijs + winst.
De opslag voor indirecte kosten reken je over de directe kosten, de winstopslag over de kostprijs. Daardoor versterken de twee percentages elkaar: 30% opslag en 10% winst geven samen een factor van 1,30 × 1,10 = 1,43 en niet 1,40. Terugrekenen doe je door te delen: kostprijs = verkoopprijs ÷ (1 + winstopslag ÷ 100) en directe kosten = kostprijs ÷ (1 + opslag ÷ 100). Wil een klant maximaal 6.000 euro exclusief btw betalen en wil je 20% winst, dan mag je kostprijs 5.000 euro zijn, en bij 25% opslag blijft er 4.000 euro over voor materiaal en arbeid.
Stel, je bent interieurbouwer en je maakt een kast op maat. Het plaatmateriaal en het beslag kosten 1.200 euro exclusief btw, en je rekent 30 werkuren tegen 60 euro loonkosten per uur, samen 1.800 euro arbeid. Over die directe kosten doe je 25% opslag voor je werkplaats, je bus en je administratie, en op de kostprijs die dan ontstaat zet je 15% winst. De directe kosten, de indirecte kosten, de kostprijs, de winst en de verkoopprijs voor je offerte staan in de tabel.
| Directe kosten | € 3.000,00 |
|---|---|
| Indirecte kosten 25% | € 750,00 |
| Kostprijs | € 3.750,00 |
| Winst 15% | € 562,50 |
| Verkoopprijs excl. btw | € 4.312,50 |
Ondernemersplein omschrijft directe kosten als kosten die je direct maakt voor je product, zoals inkoop- of productiekosten. Wie een schoen maakt, heeft bijvoorbeeld kosten voor lijm, leer en naaigaren. Indirecte kosten hebben niet direct met het product te maken. Het voorbeeld van Ondernemersplein is energie: de naaimachine gebruikt stroom, maar dezelfde stroom verlicht ook het bedrijfspand. Bij een opdracht zijn de directe kosten meestal het materiaal, uitbesteed werk en de uren die je aan de opdracht besteedt. Indirecte kosten maak je voor je hele bedrijf, of je nu veel of weinig opdrachten hebt. In het rekenvoorbeeld van Ondernemersplein over export tellen onder meer deze vaste bedrijfslasten mee als indirecte kosten:
Indirecte kosten kun je niet per opdracht aanwijzen, dus verdeel je ze met een opslag. Het opslagpercentage bereken je uit je jaarcijfers: indirecte kosten per jaar ÷ directe kosten per jaar × 100. Had je vorig jaar 54.000 euro indirecte kosten bij 180.000 euro aan materiaal en productieve arbeid, dan is je opslag 30%. Die 30% zet je in elke offerte op de directe kosten. Verkoop je steeds hetzelfde product, dan kan het ook per stuk. Ondernemersplein deelt in een voorbeeld vaste lasten van 61.800 euro per jaar door een verwachte verkoop van 3.000 handtassen en komt zo op 20,60 euro indirecte kosten per tas. Voor maatwerk en projecten van wisselende omvang werkt een percentage beter, omdat een grote opdracht dan ook een groter deel van je vaste kosten draagt. Reken het percentage elk jaar opnieuw uit. Stijgen je vaste kosten of daalt je omzet, dan stijgt ook de opslag die je nodig hebt.
De integrale kostprijs bevat alle kosten, dus directe plus indirecte kosten. Ondernemersplein noemt dit een complete (integrale) kostprijsberekening. In het voorbeeld met handtassen zijn de directe kosten 26,00 euro per tas en de indirecte kosten 20,60 euro, samen 46,60 euro. Met 23,95 euro winst wordt de verkoopprijs dan 70,55 euro. Had de exporteur de prijs van 49,95 euro uit de berekening met alleen directe kosten aangehouden, dan bleef er na de indirecte kosten maar 3,35 euro per tas over. De variabele kostprijs telt alleen de kosten die meebewegen met wat je maakt of verkoopt. Volgens Ondernemersplein hangen variabele kosten af van het aantal producten dat je maakt of inkoopt, terwijl je vaste kosten altijd hebt. Een variabele kostprijs gebruik je om te bepalen wat een extra opdracht minimaal moet opbrengen als je vaste kosten al gedekt zijn. Voor je gewone offertes reken je met de integrale kostprijs, want alleen die dekt op den duur al je kosten.
De winstopslag is het percentage dat je bovenop je kostprijs zet. KVK geeft een eenvoudig voorbeeld: 20% winst op een kostprijs van 50 euro is 10 euro, dus de verkoopprijs wordt 60 euro. Welk percentage je kiest, hangt af van wat al in je kostprijs zit. Je eigen inkomen moet ergens in de berekening staan, maar maar op één plek. Of je telt het mee bij je indirecte kosten, zoals Ondernemersplein doet, of je rekent je eigen uren als arbeid tegen wat een uur je kost. Wil je dat weten, deel dan je gewenste inkomen door je declarabele uren. KVK gaat uit van 1.840 werkbare uren per jaar en noemt het mooi als je als startende ondernemer 50 tot 60% daarvan in rekening kunt brengen. Gebruik voor arbeid in de calculator nooit je uurtarief voor klanten, want daarin zitten indirecte kosten en winst al. Zit je inkomen in de kostprijs, dan is de winst echt extra: een buffer voor tegenvallers en geld voor investeringen. Toets de uitkomst daarna aan de markt. KVK raadt aan te kijken wat anderen vragen voor vergelijkbare producten en wat je product voor de klant waard is.
Opslag en marge gaan over dezelfde winst, maar je deelt door een ander bedrag. De opslag reken je over de kostprijs. De marge is volgens KVK wat er overblijft als je de inkoopprijs aftrekt van de verkoopprijs, en als percentage deel je die door de verkoopprijs. Daardoor is het margepercentage altijd lager dan het opslagpercentage. In het KVK-voorbeeld heet de 20% bovenop de kostprijs marge, maar gemeten over de verkoopprijs van 60 euro is de marge 10 ÷ 60 = 16,7%. Omrekenen doe je met marge = opslag ÷ (100 + opslag) × 100. Een paar veelgebruikte paren:
Kostprijs plus betekent dat je de verkoopprijs bepaalt door een vast opslagpercentage op je kostprijs te zetten. Deze calculator werkt zo. Het voordeel is dat elke offerte je kosten dekt en dat je de prijs kunt uitleggen. KVK wijst daar ook op bij het verhogen van prijzen: als je de opbouw van je prijs kent, kun je een verhoging aan je klant uitleggen. Het nadeel is dat de methode niet naar de markt kijkt. Een prijs die je kosten dekt, kan toch te hoog zijn voor wat klanten gewend zijn, of te laag voor de waarde die je levert. Ondernemersplein noemt voor dienstverleners zoals een schilder of aannemer verschillende prijsafspraken: een vaste prijs, een richtprijs of een prijs op basis van de gewerkte uren en materialen. Bij een vaste prijs draag jij het risico als de klus meer uren kost dan je had berekend. Werk je op basis van uren en materialen, zet dan je uurtarief in de offerte, zoals Ondernemersplein adviseert, en leg uit hoe je materiaal doorberekent.
De laatste stap is de verkoopprijs in een offerte zetten. Je kostprijs en je opslagpercentages zijn voor jezelf. In de offerte staan de werkzaamheden, de prijs en de voorwaarden. KVK raadt aan de opdracht in onderdelen te splitsen met een prijs per onderdeel, en te vermelden of extra kosten zoals reiskosten in de prijs zitten. Reken de btw pas uit als je verkoopprijs vaststaat, net zoals KVK in zijn voorbeeld eerst de verkoopprijs bepaalt en daarna de btw optelt. Voor producten in een winkel of webshop schrijft Ondernemersplein voor dat de prijs voor consumenten in euro's inclusief btw staat. Houd die lijn ook aan in een offerte aan een particulier. Zakelijke klanten krijgen meestal prijzen exclusief btw met de btw eronder. Geef je korting, reken dan eerst na wat er van je winst overblijft, want KVK waarschuwt dat je met veel korting minder overhoudt aan de opdracht. In Proposal Expert berekent de prijstabel de btw en de totalen, ook de btw per regel. Met het gratis plan maak je 3 offertes en laat je 3 digitale handtekeningen per maand zetten.
Meestal niet. Als btw-ondernemer trek je de btw op je inkopen af, dus reken je je kostprijs exclusief btw. Ondernemersplein laat de btw in zijn kostprijsberekening ook buiten beschouwing. Doe je mee aan de kleineondernemersregeling (KOR), dan ligt dat anders. Die regeling is er voor ondernemers met maximaal 20.000 euro omzet per kalenderjaar, en wie meedoet kan volgens Ondernemersplein de btw over zakelijke kosten en investeringen niet aftrekken. Dan is die btw een echte kostenpost en reken je je inkopen inclusief btw.
Vermenigvuldig je kostprijs met 1,30. Een kostprijs van 400 euro wordt dan 520 euro exclusief btw, met 120 euro winst. Wil je juist 30% marge op de verkoopprijs, dan deel je de kostprijs door 0,70. De prijs wordt dan 571,43 euro.
De inkoopprijs is wat je betaalt voor een product of materiaal. Hij is een deel van je directe kosten. De kostprijs is breder. KVK noemt naast materialen ook arbeid, verpakking, transport en een deel van de vaste kosten, zoals je huur en je elektriciteit. Verkoop je tegen je inkoopprijs plus een kleine opslag, dan blijven je vaste kosten mogelijk onbetaald.
Dat verschilt per bedrijf. Een zzp'er zonder werkplaats heeft weinig indirecte kosten, een bedrijf met personeel, een pand en bussen veel meer. Reken het uit je eigen cijfers: indirecte kosten per jaar gedeeld door directe kosten per jaar. Een percentage van een ander bedrijf overnemen is riskant, want als het te laag is, dekt geen enkele offerte je vaste kosten.
Omdat je anders niet weet of je aan die marktprijs verdient. KVK zegt het zo: zijn je prijzen te hoog, dan bestelt niemand, en zijn ze te laag, dan heb je onvoldoende inkomsten om de kosten te dekken. Met de terugrekening kostprijs = marktprijs ÷ (1 + winstopslag ÷ 100) zie je hoeveel een opdracht mag kosten om nog je gewenste winst op te leveren.